Jessica Durlacher (1961) op achtjarige leeftijd
Oktober vorig jaar bezocht ik de reünie van mijn oude school. Hij werd gehouden in de school zelf, in Amstelveen dus. ’s Avonds om zeven uur parkeerde ik mijn auto ertegenover en liep het lege schoolplein op. Het was schemerig en het gasbeton dat ik me als grijswit maar fris herinnerde, had nu iets groezeligs en afgesletens. Het klimrek, dat uit tien verschillend gekleurde metalen palen had bestaan, een kunstwerk dat voor kinderen eigenlijk levensgevaarlijk was, was weg. Er was niets voor in de plaats gekomen. De lichtgrijze stoeptegels waren eveneens donkerder en o, wat was het allemaal oneindig veel kleiner en benauwder dan ik me herinnerde. Dat kan natuurlijk hebben gelegen aan mijn eigen lengte – ik ben dankbaar voor de decimeter die ik erbij kreeg sedertdien – maar die wijdsheid kwam toch niet alleen daarvandaan.
De school die vroeger een baken in een lege wijde wereld van steen en zand en voorzichtig, net aangelegde perkjes was, was nu een gebouwtje geworden tussen de diverse vormen van Amstelveense expansiedwang. Daar waar de gymzaal vroeger eenzaam (groot dus!) aan de voet van een braakliggend landje lag, stond nu een enorm complex van flatgebouwen – zouden de tekeningen van al die dingen toen al hebben bestaan, vraag je je af. De school herinner ik me als een belofte, een symbool voor een vitale, rechtlijnige toekomst, vol schoon, recht gasbeton en primaire kleuren in het linoleum. We renden door die school en mochten niet te veel respect voor de onderwijzer hebben – dat was ouderwets.
Het spelen op het braakliggende land stond gelijk aan avontuur, een klasgenoot verloor een halve vinger onder een voor de bouw klaarliggende rioolbuis. Er was drijfzand en veel angst daarvoor – er werd gebouwd, er was zoveel te doen, alles werd nieuw. Ik heb er goede herinneringen aan. Mijn haar groeide als een gek en ik werd langzamer groot dan ik wilde.
Toen ik vijftien was verhuisden we uit onze nieuwbouwbuurt. Pas onlangs hoorde ik dat het om Schiphol was en de uitdijende proefvluchten die daar werden gemaakt damt mijn ouders hun steven wendden en het nog hogerop zochten in het universum: Haarlem ditmaal. Het stonk op slechte dagen in onze buurt naar kerosine, en ook de snelweg breidde uit. Het vochtige lege landje waar ik samen met mijn kleine zusje rondtobte is weliswaar een wijk vol groene weldadigheid, maar de lucht is er niet frisser op geworden. Toch zie ik, als ik er rondkijk, nog steeds de belofte, de lichtheid die toen in de toekomst besloten leek te liggen. Veel ramen, veel groen en een slootje voor de deur. Of de beloftes ingelost zijn, weet ik niet. Er is in elk geval meer van alles, de zandhopen waarop mijn vriendjes en ik aardappels poften zijn platgewalst en tot fundament gemaakt van nieuwe woonsteden. Een passage uit mijn eerste roman Het Geweten, die zich afspeelt op het plein van mijn school in Amstelveen, al is het allemaal zogenaamd fictief…
Nieuwbouw
Meer dan een jaar lang was een toekomst in een modderwoestijn het angstbeeld waarmee mijn zusje en ik moesten leven. Het had te maken met een huis waar we zouden gaan wonen, zoveel was ons langzaamaan duidelijk geworden.
Hoe de mistroostige chaos die wij op zaterdagmiddagen te zien kregen, met en zachte bank naast een kachel en zonlicht op een kleedje te maken kon hebben, kregen mijn ouders er bij ons niet in. Een gore vlakte was het, onafscheidbaar, aan een loodrecht watertje. Zelfs niet het ultra ex ultime: een bezoek aan een restaurant erna kon het gevoel van ondergang wegnemen dat deze aanblik bij ons teweegbracht.
Alleen in goede buien, open voor het avontuurlijke element van de situatie, zagen wij een begin van iets ontstaan dat ons herinnerde aan ons eigen Legospel. Aan de specifieke gevoeligheid werd hard gewerkt door mijn ouders. Zo levensecht dat bij mij soms de angstaanjagende indruk ontstond dat zij meespeelden aan een wat uit de hand gelopen spelletje vadertje en moedertje.
Het ging gruwelijk traag. Elke week bleek er een beetje meer steen te zijn geland op de modderige stille tochtplek waar wij somber met onze rood-met-groene bivakmutsen op ons hoofd rondsopten. Alsof er langzaamaan voeten verschenen aan iets wat een sneeuwpop worden moest. Het leek ons onvoorstelbaar dat we de voltooiing nog tijdens ons leven gingen mee maken – maar die voeten gaven hoop.
Dat mijn ouders gek waren geworden was voor ons een volstrekte zekerheid, de vraag was alleen hoe het kwam dat zijzelf (en vooral voor mijn vader was dat ongewoon) er nu eens niet gespannen en humeurig van werden, zoals bij ongeveer alles wat in gezinsverband werd ondernomen.
Hen moest iets ondefinieerbaars drijven, en onze nieuwsgierigheid daarnaar hield bij ons de moed er een beetje in.
Om hen een plezier te doen veinsden we af en toe interesse voor de houten schotten en de stapels steen, rillend van de koude wind die hier uit alle hoeken woei en het vocht aan onze voeten, en luisterden beleefd naar hun eindeloos gefluisterde mantra’s.
'Hier komt de woonkamer’, zijn mijn moeder. ‘En dat is de wc. Dit hier wordt onze tuin. Vinden jullie het niet leuk dat we een echte tuin krijgen?’
Als het waar was, waren die tuin en die kamer idioot klein.
En de wc, wat een ridicuul vierkantje van niks. De houten contouren rondom nat zand met brokken deden ons (mij) meer dan eens aan een kerkhof denken.
In betere stemmingen probeerde ik een verband te leggen tussen dit en het primitieve leven op onafzienbare vlaktes dat kinderen in droevige boeken leidden, in tenten, iglo’s of krotten van sinaasappelkistjes, zittend aan vuren in de openlucht. Maar dan moest ik mijn ogen wel bijna dichtdoen en het gebrek aan toeval en geheimzinnigheid op deze plek met kracht negeren.
Toen de eerste verticale meter stond, werden onze fantasieën meteen dramatisch ingeperkt.
Het werd akelig duidelijk waartoe dit alles leidde. De mathematiek van het maagdelijke gesteente duldde verder geen fratsen en drong haar heerschappij zonder enige humor aan ons op. Het Bouwfonds bouwde aan onze grenzen, en terwijl we daar nu nog van buitenaf naar keken, zaten we straks onherroepelijk binnen de voor ons bestemde grijswitte rechthoeken te koekeloeren.
Het vooruitzicht, dat me hardhandig met de neus op de feiten van de toekomst drukte zoals discipline op een nieuwe school, vreemde, koude kinderen, en een eindeloze periode van wachten tot ik groot zou zijn, beklemde mee.
Uiteindelijk accepteerden we het enthousiasme van de ouders om de nieuwe orde zachtmoedig. Wij waren nog op de leeftijd dat dingen je worden aangedaan zonder dat je daarin het systeem kunt onderscheiden. Ze zouden wel weten wat ze deden, onze ouders. Wij waren vier en zes. Ons leven kon nog makkelijk gebroken worden. Geen haan die ernaar kraaide.
Pas later leerde ik hoe het zat. Na zijn vreselijk oponthoud, en vervolgens een studie medicijnen die hij na vijf jaar moest afbreken vanwege de ziekte van het verleden, daarna opnieuw begonnen in de sociologie, was mijn vader eindelijk afgestudeerd en aangesteld als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit.
Het nieuwe huis, zo begreep ik pas later, was het symbool voor het slagen van een buitengewoon slimme list waarmee iets onbenoembaars van vroeger op zeep gebracht wou worden. Het geduld van mijn ouders stond gelijk aan het uithoudingsvermogen bij de voorbereidingen tot een samenzwering of een coup. Hun spankracht gold een heilig doel. En de toekomst zelf werd met deze onderneming zo schoongeslagen als deze vlakte was geweest, zo nieuw als de tientallen identieke Bouwfondshuizen die hier gebouwd werden, kaal, verantwoord, stevig en fantasieloos. Een oase van gewoonheid na de chaos van daarvoor.
Die triomf voelden we maar we konden hem nog niet thuisbrengen. Wij wisten niet welk leven, welk verleden, er verslagen moesten worden, dus ook niet van welke triomf hier sprake was – laat staan dat we konden appreciëren dat die abstracties nu met geweld verdreven werden door het beeld van wederopbouw in een woestijn.
Wat ons, vier en zes, betreft was zowel heden als toekomst al onbekend genoeg.
Wat waren we? Een familie van vluchtelingen, die met kunst- en vliegwerk probeerde het beste ervan te maken?
In elk geval eenlingen, emigrés, altijd, een eenzame familie uit een ander land, zowel in de flat in Amsterdam als in onze nieuwbouwbuurt. Het verschil tussen vroeger en nu werk gesymboliseerd door de sirene op elke eerste maandag van de maand. Die had in Amsterdam op het dak van onze flat gestaan.
Als jij loeide kroop ik onder het bed. Mijn vader trok bleek weg en snauwde. In Amstelveen was geen verleden. Alles was er grijs of wit en nieuw. Alle fantasieën die je hier ontwikkelde waren geheid uit je eigen hoofd afkomstig – geen droom lag hier op straat. Geen geschiedenis, alleen heden. Niets stond vast, alles stond open.
Dat moet precies geweest zijn wat mijn ouders gewild hadden, al hadden ze waarschijnlijk niet bewust voorzien dat hun maatregelen zouden samenvallen met de veranderingen in de maatschappij. Toen we eenmaal in Amstelveen woonden kwam mijn vader elke avond uitgeput thuis. De bezetting van de universiteiten was ineens in volle gang en natuurlijk hadden de studentenbezetters het ook gemunt op het sociologisch instituut waar hij wetenschappelijk medewerker was. Gelukkig spaarden de bezetters mijn vader in wiens democratisch bewustzijn zij kennelijk vertrouwen hadden. Hij scheen als een van de weinigen van het te mogen blijven doorwerken. Les werd er in die maanden natuurlijk nauwelijks gegeven. Wel werd er veel vergaderd.
De verhalen over de vergaderingen vol ruzies en achterklap hadden een speciale ironische sociologentoon. Al mijn vaders collega’s hadden die toon. Nooit, nooit van mijn leven zou ik socioloog worden, besloot ik.
Thuis was mijn vader in die tijd zelf helaas een bijzonder ondemocratische tiran voor wiens humeur wij beefden, al wist ik tussen die dingen geen verband te leggen.
We waren trots op hem, op onze afgezant in die grote wereld vol provo’s met hun kleine ronde brilletjes en hun lange haar, die stonden te schreeuwen om inspraak terwijl wij leerden rekenen en schrijven en ik stiekem verliefd was op het slimst, meest rechts uitziende jongetje van de klas.
Nieuwbouw. De Amstelveense Droom. Alles was nieuw en modern: de straten, de slootjes, de winkels, de school, de kinderen, de juf, die tijd. Maar dat laatste wisten we natuurlijk niet, want het was onze tijd. We waren zelf bijna even nieuw als deze nieuwe tijd.
Op school waren de methodes nieuw, de stoelen in de klassen stonden niet achter elkaar zoals op mijn vorige school, waar het woord van de juf nog heilig was, maar in moderne, democratische cirkelvormige groepjes, we moesten ons met moeite aangeleerde schuine schoolschrift vervangen door het ronde verantwoorde blokschrift en boven de deur van het hoofd van de school stond kom-u-nukaas-ie.
Nieuw, schematisch, rond en kaal was in, oud, krullig en gecompliceerd was uit. De wederopbouw van de jaren zestig en zeventig; niet toevallig de jaren waarin op besmette gebieden hele woonwijken werden aangelegd, waarvan de witheid en frisse soberte bovengronds in gruwelijk contrast stonden met het borrelende gif eronder. Een nieuwe lente, een nieuw geluid.
Nog iets wat nieuw was.
Bij alle verantwoorde schoolmethoden, democratische werkvormen, steriele woonomstandigheden en het schijnbare gebrek aan gevaar, geheimen en geschiedenis, sprak iedereen, van zes tot twaalf jaar, op het kale betonnen schoolplein, maar over één ding, altijd. Dat was seks.
Op mijn oude school in de Watergraafsmeer, waar de gangen naar natte honden hadden geroken, waar nog kroontjespennen gebruikt werden, de juf minstens vijfenzestig was en de schoolmethoden dezelfde als die waar mijn moeders kennis op gegrondvest was, had men alleen over plaatjes en verhaaltjes en bloemen en goede bedoelingen gepraat.
Vriendelijke ouderwetse schooldiscipline had een organisch verstandshuwelijk gesloten met het beschermde babyleven. Nu werd alles anders.
Bij het afscheid van mijn oude school was ik zo verdrietig geweest dat ik mijn oude, kaarsrechte magere juf een zoen had gegeven. Het was een daad geweest van kinderlijke aanhankelijkheid aan het gezag al had hij voor mij op dat moment aangevoeld als één opgewerkte subordinatie.
Hier, in de nieuwe stoere wereld van beton, was iedere aanhankelijkheid verdacht. Niet alleen jegens een juf, maar in elke blik tussen verschillende maar nog buitengewoon jonge vertegenwoordigers der seksen zag men iets obsceens. Met de juffen en meesters kon je maar het beste helemaal niks te maken hebben.
De heerschappij van de NVSH scheepte ons kinderen van zes en zeven jaar op met een tragisch overbewustzijn, als een gevolg van de seksuele revolutie die in de generatie boven ons het verstand op nul en de zinnen op scherp had gezet. Pubertjes avant la lettre waren wij. Op mijn tweede dag op school, als nieuwe, werd ik door een jongetje gedwongen om een Zoen van een ander jongetje in ontvangst te nemen. Die was verliefd, beweerde degene die onze twee hoofden met geweld tegen elkaar duwde. Ik voelde dat ik op deze luisterrijke onthulling met reine minachting diende te reageren.
Bruusk perste ik het jongenshoofd van me af en rende de hele weg naar huis. Daar poneerde ik mijn wapenfeit tot mijn eigen verbazing met een gevoel van onsterfelijke triomf en zelfs met iets van arrogantie aan mijn moeder.
‘Verliefd!!!’ brieste ik, en denderde het huis in. Zo luid en met zo weinig gepaste ingetogenheid dat mijn moeder reageerde alsof ik vijftien was, en niet zeven: gegeneerd en geïrriteerd.
Doe even normaal! Stel je niet zo aan!’
Op volwassen toon weidde ik uit over het belachelijke in het gedrag van die jongen. Maar ik kon niet verhullen dat er inwendig een hel licht in mij gloeide, waarvan ik vreemd genoeg toen al voelde dat het gevaarlijk was.
Dat ik bestond in de fantasie van echte jongens! Zoenen waren in Frage! Het maakte mij van een onzijdige kleuter met rode bivakmuts opeens een meisje, nee, een vrouw.
Vanaf dat moment liet ik mijn haar groeien.
- Dit verhaal schreef ik begin jaren negentig, toen ik mij voor het eerst goed begon te realiseren waar ik was opgegroeid. Als kind accepteer je dingen als een gegeven, er vallen geen vragen te stellen, want je weet verder niet. Pas later kun je plaatsen en vergelijken. Ik schreef indertijd alles was nieuw, ook de tijd, maar dat is natuurlijk onzin – elke tijd is nieuw.
Bij het kopen van het huis dat in de jaren 70 werd gebouwd, zoeken we er een architect bij om het drastisch aan te pakken. In de jaren 70 dacht men dat we zo neutraal en modern bouwden dat het misschien wel voor altijd nieuw zou zijn. De arrogantie is nu te ontroerend, maar wel kenmerkend vermoed ik voor de jaren zeventig/tachtig.
Mijn o, zo moderne school is een week na de reünie afgebroken. De toekomst van de jaren zeventig, die zo vernieuwend was en jong, moest ruim baan maken voor een nieuwe tijd. Het zal het leven wel zijn. Geen reden tot wanhoop.