Kennis delen en vermenigvuldigen oktober 2006

Klein Driene toont waarden van wederopbouw

Wie roept dat wederopbouwarchitectuur “niet spannend” is, zal weinig vijanden maken. In de optiek van velen staat daarom weinig in de weg om wederopbouwwijken en naoorlogse bouwwerken met shovels en slopershamers definitief naar de vergetelheid te helpen. Daarmee verdwijnen echter de typische kwaliteiten van de wederopbouwperiode (1945-1965).
Het Oversticht gaat daarom met financiële steun van de provincie Overijssel ruime aandacht besteden aan de wederopbouwarchitectuur.

Samen met de VNG Overijssel en de Vereniging Stadswerk organiseerde Het Oversticht op 13 oktober jl. in het stadshuis van Hengelo een bijeenkomst over naoorlogs bouwen in Overijssel onder de noemer: “kennis delen en vermenigvuldigen”. Tijdens deze bijeenkomst is duidelijk gemaakt wat de kwaliteiten zijn van een wederopbouwwijk, tegen welke problemen gemeenten en woningcorporaties aanlopen en welke oplossingen mogelijk zijn.

Hengelo staat onder de liefhebbers van erfgoed bekend als een stad met veel 20e-eeuwse bouwkunst, zoals o.a. het stadshart, het stadhuis, het station en de stempelwijk Klein Driene Oost. Het stadshuis was dan ook een logische plek om een bijeenkomst over wederopbouw te houden.
De bijeenkomst was bedoeld om betrokkenen bewust te maken van de bijzonderheden en karakteristieken van wederopbouwarchitectuur. Niet vanuit een zucht naar behoud, maar vanuit de doelstelling om architecten, projectontwikkelaars, gemeenten en bewoners zicht te geven op mogelijkheden om in nieuwe ontwerpen te spelen met het jonge verleden. 

Adagium
Handen uit de mouwen en niet zeuren! Naoorlogse jaren van hard werken en sober leven, van wederopbouw en distributie, `het tientje van Lieftinck', zwarte handel, en Marshallhulp.’ Met dit citaat over de wederopbouwtijd schetst Johan de Haan, adviseur monumenten bij Het Oversticht, de cultuur en omstandigheden van waaruit vele wederopbouwwerken zijn ontstaan. Er is destijds gebouwd vanuit een gevoel van optimisme met aandacht voor de sociale component: geen plaats voor standsverschil en een aantrekkelijke woning voor iedereen. Een uitdagende opgave in een tijd van grote bevolkingsgroei.

De Hengelose wijk Klein Driene Oost is een aardig voorbeeld van een typische wederopbouwwijk. De Haan heeft dit jaar een inventarisatie uitgevoerd van kwaliteiten in deze wijk. “Licht, lucht en ruimte was toen het adagium en dat zien we in Klein Driene terug. Door een bepaalde wijze van de aanleg van wegen weet je altijd waar je je bevindt: in het midden van de wijk, of aan de rand bijvoorbeeld. Daarnaast is er een overvloed aan groen voor een prettige leefomgeving. Daarnaast heeft het ook een opvoedende werking. Indertijd stonden bij bomen nog naambordjes, als in een arboretum.”

Versieringen
De architectuur van het naoorlogse bouwen was volgens De Haan inderdaad niet in alle gevallen echt spannend. Toch leverde de periode heel wat bijzondere kwaliteiten op die nu het waard zijn om bewaard te blijven én om te gebruiken bij herontwikkeling.
Zoals de structuur van de wijk, de stempels en het vele groen. Qua architectuur valt de ritmische indeling van de gevels op. Daarnaast paste men veel details toe, waarvan overigens de meeste de opruimwoede van de jaren tachtig niet hebben overleefd. Klein Driene kent ook veel portiekversieringen, goed doordacht en tot in het kleinste detail uitgevoerd.”

Beheersproblemen
Het probleem is dat de woningmarkt van de toekomst niet aansluit op het enorme aanbod dat woningcorporaties nu in de wederopbouwwijken hebben. Daarnaast zijn er fikse technische problemen, zoals scheuren in de constructie en geluidsoverlast. Maar de huidige bewoners blijven graag betaalbaar wonen in hun vertrouwde, sociale omgeving. “Slopen hoeft niet het enige antwoord te zijn op beheersproblemen”, verklaart directeur Pinkhaar van woningcorporatie St. Joseph. “We sturen nu aan op herontwikkeling. De inventarisatie door Het Oversticht heeft ons zeker aanknopingspunten gegeven voor de manier waarop we dat kunnen doen. We zijn immers geïnteresseerd in een goede stedenbouwkundige en architectonische inpassing. Daar hebben we ook de middelen voor.”

Rietveld
Woningcorporaties geven aan vooral met te kleine, voor ouderen moeilijker toegankelijke, portiekwoningen in hun maag te zitten. Er moet dus wat gebeuren vanuit de beheersrol van woningcorporaties en vaak komt men met een snelle blik op de bouwkundige staat tot de slotsom dat volledige nieuwbouw het enige alternatief is.
In de Randstad zijn echter al de nodige voorbeelden, waarbij niet voor sloop maar voor renovatie van de woningen is gekozen. Henk Jansen, beleidsmedewerker bij de gemeente Utrecht nam als voorbeeld de Robijnhof, een deel van de achterstandswijk Hoograven. “Dit is het enige sociale woningbouwcomplex van architect Rietveld. We hadden het geluk dat de eigenaar, corporatie BO-EX zich nadrukkelijk bewust was van de kwaliteit en identiteit van de wijk. Samen met de gemeente werden eisen opgesteld: we wilden ingrijpen in de sociale problematiek door in de bestaande bouw ruimte te maken voor één tot twee-persoonshuishoudens: jong en goed opgeleid. Daarnaast besloten we tot handhaving van de Rietveld-karakteristiek. We trokken Rietveldkenner Bertus Mulder aan als bouwmeester voor renovatie en de aanpak van de buitenruimte. Alle woningen zijn in één jaar tijd van binnen en van buiten aangepakt en de plattegronden in huizen zijn aangepast. De traditionele bergingen in de kelders zijn bij de woningen getrokken om de combinatie met kantoor aan huis mogelijk te maken. Eén van de woningen is als museumwoning ingericht in jaren-50-stijl.

Slimme oplossingen
Ook architect Henk van Schagen (meerdere keren winnaar van de Nationale Renovatie Prijs) kan bogen op enkele succesvolle verbouwingsoperaties van sociale woningbouw in de categorie moeilijk geval. “In de Rotterdamse wijk Pendrecht worden de oude portiekflats nu aan de man gebracht onder de slogan “onder architectuur verbouwd!”. De entrees zijn vergroot en goed verlicht, en we pasten veel glas toe als materiaal. De woningen zijn geschikt voor blijvers en jonge starters op de koopmarkt. In Pendrecht Zuid heet het nu “ruim wonen voor een aantrekkelijke prijs!”. Wat we hebben gedaan is eigenlijk vrij eenvoudig. De oorspronkelijke woningen waren ongeveer 60 vierkante meter van oppervlakte. Van drie woningen hebben we er twee gemaakt, en dan woont het plotseling een stuk comfortabeler. Daarnaast hebben we vooral kleine trucs toegepast die de beleving veiliger en eigentijdser maakt. Denk aan grotere en beter verlichte portieks. Juist de toepassing van dit soort slimme oplossingen maakt dat bestaande wederopbouwarchitectuur op betaalbare wijze overeind gehouden kan worden.”

Erkenning
De Haan: “Gebruik de kwaliteiten en neem iets over van het optimisme dat zo kenmerkend was voor de naoorlogse tijd, ook al is de taak nog zó groot”. De Utrechtse en Rotterdamse voorbeelden geven aan dat dit niet alleen zeer wel mogelijk is, maar voor wie het slim aanpakt is het ook nog betaalbaar. Deze bijeenkomst liet zien dat wijken van de wederopbouw voldoende aanknopingspunten bieden voor eigentijdse renovatie. Diverse landelijke praktische voorbeelden tonen dit aan. Sloop hoeft dus niet altijd het uitgangspunt te zijn.
Het Oversticht gaat vanaf november 2006 tot begin 2008 diverse activiteiten uitvoeren t.a.v. wijken, kerken en kunst uit de wederopbouwperiode. Meer informatie: mevr. mr. H.A.J. Meelissen, Het Oversticht (email:
hmeelissen@oversticht.nl).

De presentaties van de vier sprekers op 13 oktober 2006 kunt u downloaden door op het betreffende plaatje te klikken.

Johan de Haan Peter Pinkhaar Henk Jansen Henk van Schagen

Het rapport "ontwikkelingsgerichte inventarisatie Klein Driene Oost" van Het Oversticht kunt u downloaden door op onderstaand plaatje te klikken.